|
||||||
|
|
||||||
|
|
||||||
|
|
Meer over het omgaan met uitdaging en stress
Aanvullingen bij hoofdstuk 6 van 'De begeleiding van hoogbegaafde kinderen'
Frank de Mink
In de afgelopen jaren zijn de inzichten die Webb al in 1983 onder woorden bracht vooral bekend geworden onder de term emotionele intelligentie of EQ, het emotionele intelligentie-quotiënt. Het begrip is in 1989 voor het eerst gebruikt door Salovey en Mayer voor eigenschappen als empathie (invoelingsvermogen), zelfbewustheid en emotiebeheersing. Door het boek Emotionele Intelligentie, Emoties als sleutel tot succes van Daniel Goleman heeft het begrip sinds 1995 veel aandacht gekregen. Volgens Goleman is de ontwikkeling van emotionele intelligentie de belangrijkste voorwaarde voor een gelukkig en bevredigend leven.
In 'De begeleiding van hoogbegaafde kinderen' komen de volgende onderwerpen aan de orde:
In deze aanvullingen worden de volgende suggesties besproken:
1. Componenten van emotionele intelligentie 2. Cognitieve vaardigheden die horen bij emotionele intelligentie 3. Suggesties voor het omgaan met stressveroorzakende gevoelens 4. Uitdagen van destructieve zelfspraak 5. Visualisatie van het zelfconcept
1. Componenten van emotionele intelligentie
2. Cognitieve vaardigheden die horen bij emotionele intelligentie
2.1. Zelfspraak sturenHet is belangrijk om te leren de interne dialoog te hanteren voor het omgaan met uitdagingen en emoties. U kunt uw kinderen vragen naar wat ze tegen zichzelf in gedachten zeggen. U kunt zelfspraak helpen sturen en stoppen. Gedachten nemen soms de vorm aan van zinnen die iemand tegen zichzelf zegt. Iemand die zichzelf aanmoedigt in een angstige situatie 'spreekt zichzelf moed in', maar ook iemand die bang blijft, doet dit mede door in zichzelf te praten over de situatie.
a) Omgaan met irrationele zelfspraakOuders spelen een belangrijke rol in het aanleren van zelfspraak. Ook volwassenen refereren nog vaak aan de stem van hun ouders die ze in gedachten horen, soms als controlerende instantie, soms ter aanmoediging. Verderop in dit hoofdstuk wordt het ABC-schema over omgaan met spanning besproken. Dat is een voorbeeld van een methode waarmee zelfspraak bijgestuurd kan worden. Hier gaat het om alle mogelijkheden die zelfspraak kan hebben voor het bereiken van doelen. U kunt met uw kinderen ABC-schema's opstellen als gebeurtenissen sterke emoties oproepen, en uw kinderen steun bieden bij het op een rij zetten van die gevoelens.
b) Het dagboekZelfspraak kan verhelderd worden door schrijven. Het bijhouden van een persoonlijk dagboek kan daarbij een belangrijke rol spelen. We kennen kinderen van acht jaar die daarmee ernst maken, en op vijtien- of twintigjarige leeftijd staan er natuurlijk weer andere dingen in. Gedachten kunnen immers rond blijven draaien en ze kunnen kinderen zó bezig houden dat ze er niet verder mee komen. Alle grote talenten hielden dagboeken bij met hun plannen, idealen en ambities. Die wetenschap kan uw kinderen helpen om ernst te maken met het maken van notities. Schrijven remt het denken en maakt reflectie mogelijk. Schrijven helpt om emoties op een rij te zetten. Herlezen brengt de schrijver op sporen en patronen. Soms is het dagboek het enige plekje waar iemand eerlijk durft te zijn. U kunt uw kinderen daarin ook voorgaan, en soms zaken onder woorden brengen waarbij u refereert aan uw eigen dagboek. Uw kinderen moeten ervan verzekerd zijn dat u hen daarin privacy geeft: dat u nooit ongevraagd in een dagboek zult kijken, wat u ook van hen verwacht met betrekking tot úw dagboek.
2.2. Gevoelstaal constructief hanterenZinnetjes die terloops worden uitgesproken, kunnen sterke invloed uitoefenen op gevoelens. Een zinnetje zoals: "Ik ga dat proberen" roept een andere emotie op dan de zin: "Ik ga dat doen." De eerste kan een aarzeling teweegbrengen, of voorzichtigheid en angst, en kan alle aandacht richten op wat er fout kan gaan. Die ongerustheid kan de welgemeende poging tenietdoen. Het tweede zinnetje geeft een soort kracht en zelfvertrouwen, kan energie mobiliseren en gerichtheid op het doel, die nodig is om dat doel te bereiken. Als u vaak zinnen hoort die krachteloosheid en moedeloosheid uitdrukken kan het zinvol zijn daarover met uw kind te praten. Dat kan het beste door ook uw eigen taal aan de orde te stellen. U kunt dan met uw kind een plan maken om elkaar te helpen met het zoeken en gebruiken van positieve, krachtige zinnen die gevoelens richten op zelfgekozen doelen.
2.3. Herkennen van zelfopgelegde beperkingenAangeleerde machteloosheid is het verschijnsel dat iemand bij tegenslagen altijd zo reageert dat de verklaring daarvoor volledig buiten zichzelf wordt gelegd. Het begrip verklaart waarom sommige mensen opgeven bij teleurstelling en andere doorgaan. In de opvoeding kunt u uw kinderen leren gehard te worden bij tegenslagen, immuun te worden voor gevoelens van machteloosheid. Omdat het een factor is die bepalend is voor gezondheid en levensgeluk is het meer dan de moeite waard hier aandacht aan te besteden. Gehardheid tegen machteloosheid bestaat uit het besef dat je je moet inzetten, dat je voor een opgave staat en de situatie onder controle hebt. Het gaat er niet om álles onder controle hebben, maar om je reactie en dat deel waar je vat op kunt hebben. Daardoor kun je voorkomen dat je doorslaat en bij alle mislukkingen meent dat het helemaal je eigen schuld is, waardoor je verder passief zou blijven.
Bij gezond met emoties omgaan gaat het om een juiste mate van berouw om van je fouten te leren, om verantwoordelijkheid voor dat deel wat je in de hand hebt, en enig optimisme om verder te gaan. Een geschikt stappenplan om aangeleerde machteloosheid geleidelijk te leren overwinnen gaat als volgt:
Gesprekken met uw kinderen over meegemaakte teleurstellingen kunnen deze stappen volgen en tot plannen leiden. We hoeven niet te berusten bij optimisme of pessimisme als karaktertrek; het gaat om aangeleerde kenmerken die veranderbaar zijn. In het boek Omgaan met tegenslag (1997) deed Paul Stoltz hiervoor uitstekende suggesties. Het gaat daarbij verder om het beheersen van je impulsen, het kiezen van doelen, het identificeren van verschillende keuzemogelijkheden en het anticiperen op consequenties.
3. Suggesties voor het omgaan met stressveroorzakende gevoelens
Misschien heeft uw kind faalangst, ziet het sterk op tegen bepaalde gebeurtenissen of zijn er steeds terugkerende situaties waarbij sterke gevoelens ontstaan die stress tot gevolg hebben. Hieronder volgen een aantal specifieke vragen die u aan uw kind kunt voorleggen, waarmee de gevoelens die uw kind ervaart zullen veranderen. Ze zijn gebaseerd op de aanpak die hierboven beschreven werd.
U nodigt uw kind uit om te praten over die stressveroorzakende situatie en neemt er een vel papier bij en maakt een indeling zoals in de tabel hieronder. Vul met uw kind eerst A en C in: A: de situatie, zo objectief mogelijk beschreven Vul vervolgens bij C aan de rechterkant de gevoelens en gedragingen in die uw kind zou willen hebben in zo’n situatie.
Nu komt de stap waar het eigenlijk om gaat. Ga de gedachten bij B links uitdagen met de volgende kritische vragen:
In de volgende paragraaf wordt de werkwijze bij dit uitdagen beschreven.
4. Uitdagen van destructieve zelfspraak
Als het antwoord bij één van de vragen bij een gedachte bij B in het bovenstaande schema ontkennend is, vraagt u uw kind om een alternatieve gedachte die 'zinniger' is, en die bij B (rechts) kan worden ingevuld als alternatief voor de 'onzinnige' gedachte. Bijvoorbeeld: "Het zou verschrikkelijk zijn als...." kan worden vervangen door: "Ik wil graag dat...."
Vraag nadrukkelijk aan uw zoon of dochter of de nieuwe gedachte in plaats van de oude kan komen, en noteer die dan in de rechter B kolom. Daag alle gedachten onder B links uit, en probeer ze te vervangen door zinnige gedachten. Vraag tenslotte aan uw kind opnieuw aan de situatie te denken, zodat het is alsof uw kind er weer inzit, en ga met uw kind na of het nog diezelfde gevoelens krijgt die het zei te hebben gehad.
De oefening hierboven is natuurlijk ook goed voor onszelf. Ook wij hebben regelmatig gevoelens die ons niet verder helpen. Daarbij zijn er opvattingen populair geworden dat je gevoelens moet eerbiedigen, dat je gevoelens moet laten uiten, dat gevoelens feiten zijn waar je nu eenmaal rekening mee moet houden. Dat is slechts ten dele waar en leidt tot onzin als die opvattingen tot algemene wet worden verheven.
5. Visualisatie van het zelfconcept
Gevoelens die vergelijkbaar zijn met de ‘ongewenste gevoelens’ uit het ABC-schema ontstaan als iemand de ‘fout’ maakt om wat men over een aspect van zijn gedrag zegt te betrekken op zijn persoon als geheel. Voor wie net een negatief oordeel heeft gehoord, kan dat het vermogen om helder te denken vertroebelen en leiden tot verlammende gevoelens. Die berusten op de in het voorgaande genoemde ‘generalisatie-fout’: het oordeel over een deel betrekken we op het geheel. Voor ons kind kan een slechte prestatie leiden tot de gedachte: “Ik kan het niet!” in plaats van: “Ik presteerde slecht.”. Irrationele overtuigingen zoals deze hebben speciale aandacht nodig. Voor hoogbegaafde kinderen is een extra valkuil gelegen in de omgekeerde situatie: het kind meent dat het alleen gewaardeerd wordt om zijn prestaties. Heeft u de indruk dat uw schoolgaande kind hier moeite mee heeft, maak dan eens een ‘zelfconcept-plaat’: een tekening met cirkels zoals in afbeelding 1. In het midden staat de naam van het kind. Daaromheen vraagt u uw kind enkele kenmerken van hemzelf als persoon op te schrijven in korte zinnetjes: dingen die hij kan, activiteiten waarmee hij graag bezig is, wensen, karaktereigenschappen, gewoontes, gevoelens die hij vaak heeft en gevoelens die hij graag heeft. Deze oefening helpt kinderen om te bedenken dat ze meer zijn dan één eigenschap of kenmerk.
Als vervolg hierop kunt u met uw kind een oefening doen om het weerbaar te maken tegen pesten, tegen oordelen van anderen en tegen schelden. Vraag uw kind om een paar scheldwoorden of veroordelingen op briefjes te schrijven en bespreek die één voor één: als iemand dat over mij zegt, klopt dat dan, betekent het dat mijn andere eigenschappen niet meer meetellen? Let goed op de woorden “soms”, “altijd”, “zo nu en dan”, “meestal”. Bespreek vragen als: Wanneer iemand iets over mij vindt of zegt, is dat dan waar, betekent dat dan dat ik ook zo ben? Tellen die andere eigenschappen dan niet meer mee? |
|||||||