|
||||||
|
|
||||||
|
|
||||||
|
|
Meer over relaties met leeftijdgenoten en vrienden
Aanvullingen bij hoofdstuk 8 van 'De begeleiding van hoogbegaafde kinderen'
Frank de Mink
"Veel kinderen die slecht kunnen omgaan met anderen, missen gespreksvaardigheden die ze op hun leeftijd wel zouden moeten hebben. Ze hebben moeite om hun eigen behoeften en verlangens duidelijk te maken en die van anderen te begrijpen." L. Shapiro in Hoe vergroot ik het EQ van mijn kind, Boom, 1998.
In 'De begeleiding van hoogbegaafde kinderen' komen de volgende onderwerpen aan de orde:
In deze aanvullingen worden de volgende suggesties besproken:
1. Leer uw kind om een eerste contact te leggen 2. Leer uw kind om vriendschappen te onderhouden 3. Leer uw kind om in een groep te functioneren 4. Specifieke problemen van hoogbegaafde tieners Slechte gespreksvaardigheden manifesteren zich vooral wanneer kinderen nieuwe vriendschappen proberen te sluiten. Stel dat uw kind graag mee wil doen aan een spel of een andere activiteit met andere kinderen. Gebruikt het dan de geschikte sociale tactiek? Kinderen die het wel lukt om contact te leggen met onbekende leeftijdgenoten, doen dat geleidelijk. Ze blijven eerst op afstand, alsof ze informatie inwinnen en komen later pas werkelijk in actie. Populaire kinderen zullen eerder verbaal contact leggen. Ze stellen vragen of leveren commentaar. Zo zeggen ze misschien: "Dat is een leuk spelletje!", of "Hoe heb je dat geleerd?". Kinderen met slechte sociale tactieken zullen contact proberen te leggen met storend, onhebbelijk of egocentrisch gedrag. Ze zullen bijvoorbeeld zeggen: "Dat spelletje ken ik al!", of "Ik kan dat veel beter dan jij. Laat mij eens!". Als dit laatste het geval is zult u met uw kind andere manieren moeten doorspreken.
2. Leer uw kind om vriendschappen te onderhouden
Hoogbegaafde kinderen zullen vaak vriendschappen met jongere en oudere kinderen ontwikkelen. Daarin kunnen we hen aanmoedigen. Vriendschappen met volwassenen laten we hier even buiten beschouwing.
a. Het egocentrische stadiumIn het egocentrische stadium, dat in het algemeen optreedt tussen drie en zeven jaar, omschrijven kinderen hun vriendje en vriendinnetjes als anderen die op dezelfde tijd als zij met dezelfde activiteit bezig zijn, of simpelweg als kinderen die dichtbij zijn. Het wederzijdse nut van de activiteit staat voorop. Kinderen in dit stadium zoeken andere kinderen die ze kunnen gebruiken: die andere kinderen hebben bijzonder speelgoed, daarmee kunnen ze een spel doen, die hebben snoep. Het nut van het contact staat voorop. In dit stadium zijn kinderen meestal beter in het starten van de communicatie dan in het reageren op of luisteren naar de ander. Computers, spelen op straat en sport zijn vaak de aanleidingen voor contacten. Zorg dat ook uw kind iets bijzonders kan laten zien aan vriendjes. Het hoeft niet duur te zijn: verkleedkleren en een poppenkast kunnen al veel doen. Kinderen denken dat andere kinderen net zo denken als zijzelf en ze zijn teleurgesteld als dit niet het geval blijkt. In dit stadium kunt u uw kind wijzen op het evenwicht van een ruil. U kunt hen de werking uitleggen: je doet iets voor de ander, omdat die ander iets terug zal doen. U kunt hen leren onderhandelen en afspraken maken over een gelijke, eerlijke ruil.
b. Het stadium van wederzijdse behoeftebevredigingIn het volgende stadium, ongeveer tussen vier en negen jaar, staat de aandacht voor wederzijdse behoeftebevrediging voorop. Het kind wordt minder gedreven door egocentrisme en heeft meer aandacht voor de werking van relaties, voor de principes die we in het vorige stadium nog moesten uitleggen. Het kind is nu meer gericht op het andere kind omdat het aardig is en niet alleen omdat het iets heeft of iets doet dat leuk is. Wel zijn kinderen in dit stadium sterk gericht op vriendschappen die in een bepaalde behoefte voorzien, maar het hoeft niet eerst van de andere kant te komen. "Wil jij mijn vriendje zijn?" is een openingszin die samen spelen kan uitlokken. Het kind kan contacten zoeken en onderhouden met kinderen die het niet eens zo leuk vindt, alleen maar om niet alleen te zijn. Kinderen zijn nog niet gericht op het onderhouden van de vriendschap, maar denken vooral aan de behoeften van dat moment. Het is voor hen moeilijk om meer dan één vriendschap te onderhouden. U kunt uw kind helpen door de speelkameraadjes hartelijk te ontvangen, vriendelijk voor ze te zijn, zelfs als u dat andere kind niet zo ziet zitten, contact aan te knopen met de ouders, bij grotere afstanden de kinderen te brengen of te halen, op school het kind te helpen met het maken van een afspraak over met wie het zal gaan spelen in de middag. Kies geen partij voor uw kind bij conflicten en spreek geen oordelen uit. Een dag later kan alles weer anders zijn. Help alleen bij de verwerking van teleurstellingen en geef geen ongevraagd advies. U kunt uw kind helpen met de organisatie van de verjaardag, een feest waarop een groep andere kinderen mag komen en een geschikt programma doorlopen. Vraag andere ouders om hulp als u dit nog nooit heeft gedaan. U kunt uw kind helpen door het aan te moedigen steeds met nieuwe kinderen een afspraak te maken en vooral door de kleine ruzies die kunnen ontstaan na te bespreken: is goed gedacht aan de wederzijdse behoeftenbevrediging, deden de kinderen eerst wat het ene kind wilde en daarna wat het andere kind wilde? Zijn de 'investeringen' in de relatie in evenwicht? Help uw kind om een eerlijke ruil te bedenken. Dat gaat niet vanzelf, maar kan worden aangeleerd.
c. Het stadium van wederzijdsheidHet stadium van wederzijdsheid, tussen zes en twaalf jaar, wordt gekenmerkt door de nadruk op gelijkheid en wederkerigheid. Kinderen kunnen nu in de vriendschap de dingen van twee kanten zien en ze zorgen er voor dat alles eerlijk gaat. Die eerlijkheid neemt hen soms volledig in beslag. De kwaliteit van vriendschappen wordt nu vastgesteld door de wederkerigheid: "Als ik niet naar haar verjaardag mag, dan mag zij niet naar mijn verjaardag." "Ze krijgt van mij een even groot cadeau als ik van haar heb gehad." U kunt uw kind helpen door het kansen te geven om te oefenen en plannen te maken. Als uw gezin op een camping aankomt, hoe zal uw kind dan de potentiële nieuwe vriendjes gaan ontdekken? Daarover kunt u vooraf praten, u kunt het kind helpen met goede en slechte tactieken en met omgaan met de kans op afwijzing. U kunt uw kind helpen met de teleurstellingen die in elke relatie kunnen ontstaan. Hoe kun je de draad weer oppakken? U kunt gesprekken voeren over de verschillende soorten vriendschappen die er zijn: vrienden in de klas, vrienden op de sportvereniging, vrienden in de vakantie, vrienden op straat. En u kunt bespreken hoe voor uw kind en de ander de wederkerigheid vorm kan krijgen. In dit stadium kunnen de gesprekken steeds belangrijker worden en is de gedeelde interesse steeds meer bepalend. Daarop kunt u uw kind wijzen, als voorbereiding op het volgende stadium. Misschien bent u in dit stadium vooral de chauffeur, geldverschaffer, organisator van feestjes en toeschouwer bij wedstrijden en voorstellingen.
d. Het stadium van intimiteitAls kinderen negen tot twaalf jaar oud zijn zullen zij zich in hun vriendschappen meer en meer gaan richten op intimiteit. Het gaat hen dan niet zozeer om de handelingen, maar meer om de persoon zelf. Hun aandacht is ook sterk gericht op de groepen waarin ze zitten en de verschillende subgroepen die daarin ontstaan. In dit stadium delen kinderen hun ervaringen en motieven, hun plannen en idealen, hun voor- en afkeuren. Het is de basis voor intieme relaties op latere leeftijd. In deze periode zullen vertrouwelijke mededelingen een belangrijke plaats innemen; sommige dingen kun je alleen tegen je vriend of vriendin zeggen. Kinderen zijn zich nu scherper bewust van de verschillen: er zijn kinderen uit een bepaalde buurt waar mensen rijker of armer zijn, er zijn kinderen van gescheiden ouders, er is een kind van wie een vader of moeder is overleden, of dat een ziekelijk zusje heeft. Help uw kind met nieuwe initiatieven in de vrije tijd, waardoor nieuwe contacten kunnen ontstaan. In dit stadium kunt u uw kind leren dat er verschillende soorten vriendschappen zijn: van sommige vrienden kun je hulp en steun verwachten, met anderen kun je vooral lol maken, met weer anderen kun je een goed gesprek voeren. Er zijn er met wie je kunt gaan sporten, muziek maken of een musical uitvoeren, met weer anderen kun je stoeien en dingen maken zoals op scouting. Als uw kind door verhuizing een goede vriend kwijt raakt zult u extra nodig zijn om dat verlies te verwerken. Op deze leeftijd ontstaan soms al vriendschappen voor het leven. Vanaf deze leeftijd wordt het verschil tussen vriendschappen van jongens en meisjes sterker: jongens doen samen dingen, meisjes praten met elkaar. Op deze leeftijd gaan kinderen voor het eerst een weekend of week met een groep kinderen op stap. Help hen die spannende tijd voor te bereiden en te verwerken. Moedig uw kinderen aan zonder u of zonder oudere broers of zussen naar zulke bijeenkomsten te gaan, zodat het eigen initiatieven leert ondernemen en niet steeds meelift met de ander.
3. Leer uw kind om in een groep te functioneren
Als uw kind heeft geleerd om vriendschap te sluiten met individuele kinderen, moet het nog een tweede vaardigheid leren: aansluiting bij en deelname aan groepsactiviteiten.
4. Specifieke problemen van hoogbegaafde tieners
kinderen naar het voortgezet onderwijs gaan. Naarmate uw kind ouder wordt, wordt het steeds belangrijker om goede gesprekken met hem te voeren, met name ook over de bijzondere positie die uw kind kan innemen. Hieronder volgen een aantal problemen die hoogbegaafde kinderen in de puberteit zelf zeggen mee te maken in de omgang met leeftijdgenoten.
Ongeloof in eigen capaciteitenHoogbegaafde kinderen worden vaak heen en weer geslingerd door geloof en ongeloof, vertrouwen en wantrouwen in hun capaciteiten. Bij sommigen blijft het ongeloof en wantrouwen in eigen vermogens tot op late leeftijd overheersen, en ze tonen blijvend gebrek aan zelfvertrouwen. Al is hun begaafdheid op jonge leeftijd ontdekt, ze blijven die ontkennen omdat in hun omgeving de twijfel blijft bestaan. Dit wordt wel het 'impostor syndrome' genoemd: de betrokkene houdt zichzelf voor de gek. De druk van leeftijdgenoten of jaloerse leerkrachten kan enorm zijn. "Bewijs maar eens dat je zo begaafd bent als je beweert (als ze beweren)" is een lastige situatie waar weinige jongeren adequaat mee kunnen omgaan.
De plicht om iets terug te doenEen tweede probleem dat hoogbegaafde jongeren kunnen voelen is de plicht iets terug te doen voor de gave die zij hebben ontvangen. Als hun omgeving hen blijft beschouwen als bijzondere mensen en hen de plicht om iets terug te doen oplegt, zijn moeilijkheden niet te vermijden.
PerfectionismeEen derde probleem is perfectionisme. Vaak stellen hoogbegaafde jongeren extreem hoge eisen aan zichzelf, en komen daardoor niet aan de gang. Of ze zijn zeer teleurgesteld met een enkel puntje lager, terwijl ze zich hadden voorgenomen om tienen te halen. Die teleurstelling kan veel groter zijn dan ouders en leerkrachten vermoeden.
Geen risico's durven nemenEen vierde probleem is het niet durven nemen van risico's. Hoewel het vermogen om risico's te nemen vaak kenmerkend is voor talentvolle jongeren, neemt het af met het ouder worden. De groepsdruk en de repercussies kunnen zeer groot zijn en de jongere kent alle nadelen en voordelen. Het kan er toe leiden dat de kinderen niet mee willen doen aan wedstrijden, aan iets waarmee ze opvallen, aan voor de klas komen of meedoen aan interessante buitenschoolse activiteiten.
Tegenstrijdige verwachtingen van anderenDe verwachtingen van anderen zijn vaak onderling tegenstrijdig, en ook in strijd met hun eigen idealen en verwachtingen. Dat maakt het heel lastig over die verwachtingen te communiceren. Elke groep verwacht aanpassing en iedereen die sterk afwijkt voelt die druk. De hoogbegaafde krijgt te maken met veel meer verwachtingen dan anderen. Hoe groter het talent, hoe groter de verwachtingen. Begaafde leerlingen en studenten vertellen regelmatig hoe die verwachtingen hen tot wanhoop brengen. Ze kunnen het mikpunt van spot worden.
OngeduldNet als andere adolescenten zijn hoogbegaafde leerlingen ongeduldig als het er om gaat oplossingen te vinden voor de lastige vragen waarmee ze worden geconfronteerd. Sommige hoogbegaafden kunnen niet goed tegen chaotische en ambigue situaties. Ze eisen duidelijke antwoorden, ook al kunnen die niet worden gegeven.
Vroegtijdige identiteitDoor de hierboven geschetste problemen kunnen sommige hoogbegaafde jongeren zich al vroeg een volwassen identiteit aanmeten, die zich normaalgesproken na het 21e levensjaar ontwikkelt. Dat kan serieuze problemen teweegbrengen. Soms kiezen ze te vroeg voor beroepsactiviteiten om twijfels daarover te vermijden.
Voor deze problemen zijn geen algemene suggesties te geven. Ze vereisen dat kinderen hardop kunnen nadenken, leren omgaan met de situaties waarin deze problemen optreden en daarover reflecteren. Ouders moeten daarvoor de tijd nemen. Daarnaast zijn contacten met andere hoogbegaafde kinderen een belangrijke voorwaarde voor een evenwichtige ontwikkeling. Herkenning van de genoemde problemen bij anderen maakt ze draaglijk; daarbij kunnen ze voordeel hebben van de suggesties die anderen hen doen. Suggesties van leeftijdgenoten in een vergelijkbare situatie waarderen ze bijna altijd hoger dan die van volwassenen. |